Geschiedenis van het dorp Rumpt

Geschiedenis

Reeds omstreeks het jaar 960 wordt Rumpt (als Rumpst) vermeld in een lijst van bezittingen van de St. Maartenskerk te Utrecht. In de loop van de geschiedenis komen we dit dorp ondermeer ook tegen onder benamingen als Rumede, Romde en Rumt. De Heerlijkheid, die alleen het dorp Rumpt omvatte, schijnt evenals Gellicum later te hebben behoord tot het Land van Arkel.

Oude nederzetting

In Rumpt zijn restanten gevonden van een agrarische nederzetting uit de Midden-bronstijd. De locatiekeuze van de bewoners lijkt in deze oude nederzettingsvorm, vanuit het gevonden botmateriaal gezien, vooral te zijn ingegeven door de aanwezigheid van (natte) weidegronden voor het ter plekke houden van vee.
Het dorp ligt op een stroomrug en kent een kenmerkende ontginningsstructuur. Bij de Grote en Kleine Wiel nabij Rumpt bevinden zich enkele karakteristieke kromakkers. Dit is een middeleeuwse kromvormige kavelvorm, die ontstaan is door het gebruik van de primitieve karploeg.

Het Huis te Rumpt

In een oorkonde van 1 augustus 1341 wordt voor het eerst melding gemaakt van het Huis te Rumpt. Door Ricoud van Heeswijk, proost van St. Pieter te Utrecht werd aan Hertog Reinald opgedragen: “mijn huys (ende) mijn hoffstadt te Roemde mit allen dien voirborchten, graven, vesten ende tymmer, dat dair nu staet off namails staen sall, mit den bongaerden, mit den wiere ende mit allen den lande, dat ick liggende heb aldair te Roemde, butendijcx der Linghen waert, van den dorp te Roemde nederwaert tot des abds land van sunte Marienwerde, dat beneden mynen huys voirs gelegen is.”

Het geslacht Van Scherpenzeel

Uiteindelijk komt het Huis te Rumpt op 10 mei 1550 in het bezit van Thomas van Scherpenseel (ook Scerpenzeel, later Scherpenzeel). Sindsdien is dit geslacht vervolgens tot circa 1741 aan dit huis en het dorp Rumpt verbonden geweest. Ook voor die tijd moet er echter een relatie hebben bestaan. Het bewijs hiervan is tot op de dag van vandaag nog overduidelijk aanwezig. Tussen de Grote en Kleine Wiel in de uiterwaard langs de Molendijk waar vroeger het Huis te Rumpt heeft gestaan, staat nu nog een hardstenen veldkruis, hoog 259 cm, met daarop een afbeelding van het wapen van het geslacht Van Scherpenzeel en in gotische letters de tekst: “Int Iaer MVcXXVII op sunte Severynsdach opt hof te remdt blef doot Ot van Scerpenzeel lefft XXVI. Byt voer dye zyel om Gods wyl”.
Otto van Scherpenzeel, zoon van Carselis en Maria van Zylen van Anholt, was jagermeester en richter van Arnhem en Veluwezoom. Hij sneuvelde in de strijd tegen de Stichtsche krijgsbenden van zijn oom bisschop Rudolf van Anholt, nadat deze het nabijgelegen Gellicum hadden geplunderd.

Het verval

In het begin van de achttiende eeuw verkeerde het Huis te Rumpt reeds in niet al te beste staat. Het behoorde toen officieel toe aan ene Johan van Scherpenseel. Deze was echter zwakzinnig en daarom gedroeg zijn jongere broer Erasmus zich als Heer van Rumpt en tekende ook als “Erasmus van Scherpenzeel de Rumdt”. Het huis werd destijds verhuurd aan een boer Dirk Abrahamsz. Bogaert of Van den Boomgaert. Deze liet wel wat herstelwerk verrichten, maar ook niet meer dan echt noodzakelijk was. Erasmus van Scherpenseel stierf ongehuwd in 1716. In 1721 constateert een tante Barbara van Scherpenseel “dat onsen innosenten neef (Johan), den tegenwoordigen heer van Rumdt, van sijn inkomsten niet soude konnen onderhouden worden en dat alle jaer meer vertert als sijn goederen opbrenge”. Droef was het dus gesteld met deze laatste Scherpenseel. Op afbeeldingen uit die tijd zien we het adellijke huis al sterk in verval. In 1728 lag de helft ervan in puin. Bij de dood van Johan in 1741 kwam het in bezit van diens neef Diederik Johan Heerman in wiens geslacht de gronden nog vele jaren zijn gebleven. Het verval nam hand over hand toe, het trotse bouwwerk bleek niet meer te redden en is niet meer herrezen.

Het bestuur

Het dorp kende tot 1811 een dorpsbestuur, waarbij een schout en buurmeesters de belangen van het dorp behartigden. Het dorpsbestuur moest er onder meer voor zorgen dat belastingen voor het ambt werden omgeslagen over de dorpelingen. Rumpt lag in het Ambt Tielerwaard. De Ambtman van de Tielerwaard, die tevens ambtman van de Bommelerwaard was, was een belangrijk man. Hij was vertegenwoordiger van de graaf van Gelre. Tussen 1811 en 1978 behoorde Rumpt tot de gemeente Deil, samen met Deil, Enspijk en Gellicum. Vanaf 1978 behoort het dorp tot de gemeente Geldermalsen.

De Boutensteinse Sluis

De Boutensteinse Sluis is gelegen aan de Polderdijk 5 te Rumpt en vormt een onderdeel van de Boutensteinse Wetering, gegraven in 1316. Daardoor konden de dorpen langs de Waal afwateren op de Linge. Voor die tijd hadden deze dorpen afgewaterd op de Waal of op de kommen. De Boutensteinse Wetering vormde samen met de Bisschopsgraaf, de Linge en de Meer bij Culemborg een verbinding tussen de Waal en de Lek. Deze vaarverbinding tussen Zaltbommel en Culemborg liep door de Boutensteinse Sluis. Met aken en schuitjes kon men producten naar de markt in Culemborg vervoeren. In de winter was dit belangrijk, omdat de wegen dan te voet of per wagen nauwelijks begaanbaar waren.

In 1474 werd een overeenkomst gesloten tussen de dorpen, die uitwaterden door middel van de Boutensteinse wetering en de stad Zaltbommel, alsmede de dorpen Geldermalsen, Deil, Enspijk, Rumpt, Gellicum, Beesd en Rhenoy, en de Abt van Marienwaerd, betreffende de vernieuwing en het onderhoud van de Boutensteinse sluis, ten Oosten van Rumpt in de Lingedijk. De stad Bommel en de dorpen Heesselt, Est, Opijnen, Neerijnen, Hiern (Waardenburg) en Tuil zouden de kosten 50/50 betalen. De aanleiding hiertoe was dat Bommel en de genoemde Lingedorpen een nieuwe wetering zouden laten graven van de Mark naar Waardenburg. Hierdoor zou een scheepvaartverbinding met de Linge, en via de Bisschopsgraaf en de Meer tot stand komen met Culemborg. Deze nieuwe vliet heette de Tuilse vliet of Oude Kuilenburgse vaart.